The winner takes it all
De gemiddelde voetballer betaalt contributie, vet zelf zijn kicksen in en draait maandelijks twee kantinediensten. De wereldtoppers daarentegen verdienen wekelijks meer dan de meeste Nederlanders in één jaar doen. Hetzelfde geldt voor kunstenaars. Nederland telt talloze muzikanten, schilders en acteurs, maar slechts een selecte groep kan leven van het kunstenaarsvak. De toppers baden ondertussen in weelde. Zo vraagt Tom Cruise minstens één miljoen dollar om in een film mee te spelen.
Kunstenaars en topsporters zijn dus anders dan de meeste werknemers. Doorgaans wordt je inkomen bepaald door factoren als scholing en ervaring: hoog opgeleide werknemers verdienen meer dan mensen die na de middelbare school direct zijn gaan werken. En ervaren krachten worden nu eenmaal hoger ingeschaald dan hun beginnende collega's.
Sporters en artiesten zijn overgeleverd aan de krachten van de markt. Luis Figo is als voetballer net iets beter dan de rest, en verdient - omdat alle clubs graag de beste linksbuiten in dienst hebben - een veelvoud van de andere voetballers. Hetzelfde geldt voor de Backstreet Boys: net iets succesvoller en handiger dan de andere jongensbands, en steenrijk. Op de gewone arbeidsmarkt werkt het anders: iemand die 10% productiever is dan zijn collega, verdient waarschijnlijk ook 10% meer.
Sociologen en economen noemen dit verschijnsel een 'winner-takes-all' markt. Hierbij gaat het niet om absolute kwaliteiten (welke opleiding heb je?) maar om relatieve kwaliteiten (ben je beter dan je concurrent?). Daarnaast wijzen zij op het feit dat niet alleen sporters en kunstenaars extreem beloond worden. Ook directeuren, topadvocaten en computernerds zijn er de laatste jaren veel meer op vooruit gegaan dan de gemiddelde werknemer. Wordt de hele arbeidsmarkt een race om de eerste plaats, met alle gevolgen van dien? Of is het juist terecht dat de beste mensen stevig beloond worden?