De slechte jeugd van Freud
Hoe omstreden zijn de ideeën van Freud?
Sigmund Freud (1856-1939) is naast Copernicus en Darwin één van de grondleggers van het moderne mensbeeld. Copernicus beschouwde de aarde en daarmee de mens niet meer als het middelpunt van de schepping. Darwin toonde aan dat het ontstaan van de mens het gevolg was van het optreden van onpersoonlijke natuurkrachten. Freud beroofde de mens van zijn verheven positie als 'redelijk en zedelijk hoogstaand wezen'.
Tegenwoordig gaan we ervan uit dat ons gedrag in hoge mate bepaald wordt door irrationele verlangens en angsten. Dat onze persoonlijke ontwikkeling invloed heeft op ons handelen, denken en voelen zonder dat we ons daar altijd zelf van bewust zijn, vinden we logisch. In het persoonlijk en maatschappelijk verkeer houden we er ook rekening mee. We praten met mensen over de verwerking van stress en trauma's. Jeugdervaringen ('een slechte jeugd') worden bij de rechtspraak als relevant beschouwd voor de beoordeling van gedrag.
Het psychologische mensbeeld dat aan dit soort opvattingen ten grondslag ligt, is vrij nieuw en berust voor een belangrijk deel op het werk van de Weense psychiater Sigmund Freud. Na veel strijd is het in de loop van de 20ste eeuw langzamerhand aanvaard geraakt. Freuds theorieën over zenuwziek gedrag en vooral zijn therapie, de beroemde psychoanalyse, stuitten aanvankelijk op veel weerstand en zijn nog steeds omstreden.