Liberalisme
Vrijheid, blijheid?
Het liberalisme is ontstaan in de 19de eeuw. Deze politieke en maatschappelijke stroming kwam voort uit de Verlichting met haar geloof in rationeel handelen en in menselijke vooruitgang. In deze periode werd de vooruitgang op materieel gebied steeds meer gelijkgesteld met industrialisatie en met de ontwikkeling van de vrije markt. De liberalen kun je zien als de vormgevers van het moderne kapitalisme. Daarnaast traden ze op de voorgrond als voorvechters van burgerlijke vrijheden: gelijkheid voor de wet en grondrechten voor het individu. Hun voornaamste tegenstanders waren de vaak christelijk geïnspireerde conservatieven.
De liberalen gaven in de eerste helft van de 19de eeuw vorm aan het parlementaire systeem. Rond 1848 werd in veel Europese landen een vorm van parlementaire democratie gevestigd. In Nederland kwam de grondwet van Thorbecke tot stand. In die tijd werden ook de beperkingen van het liberalisme zichtbaar. Lang niet alle liberalen waren overtuigde democraten. Velen wensten het kiesrecht te beperken tot elites of in ieder geval tot 'verantwoordelijke' (mannelijke) burgers met een zelfstandig inkomen. Dat leverde het liberalisme het verwijt op dat het in plaats van gelijkheid het recht van de sterkste predikte. De scherpste kritiek kwam van de socialisten, die wezen op de sociale ellende die het kapitalisme met zijn vrije marktmechanisme aanrichtte.
Liberalen reageerden verschillend gereageerd op deze kritiek, waardoor verdeeldheid ontstond en een verzwakking van het liberalisme. Sommigen wezen de eisen van nieuwe groeperingen af en werden conservatief-liberaal. De radicaal-liberalen daarentegen erkenden dat een deel van de kritiek juist was. Zij pleitten vanaf ongeveer 1870 voor een uitbreiding van het kiesrecht en voor een begin van de sociale verzorgingsstaat.